‘een kunstenaar, wat doet die allemaal?’

Een langdurige lessenserie op openbare basisschool 'Borgloschool' te Deventer, waarin het kunstenaarschap vanuit allerlei verschillende invalshoeken wordt onderzocht.

Normaliter kom ik op een school om een, twee hooguit drie kunstlessen te geven. Maar AnnaKarina ter Horst en ik hebben de kans gekregen om een lange lessenserie te ontwikkelen en te geven op de openbare basisschool ‘Borgloschool’ te Deventer. En aangezien het begin van deze serie viel in de kinderboekenweek (met als thema ‘beroepen’), hebben we besloten om het beroep ‘beeldend kunstenaar’ helemaal uit te diepen.

Dat betekent dat er eerst onderzoek is gedaan hoe je een kunstenaar kunt herkennen. Aan het haar, de kleding, attributen? De mooie uitkomst was dat je een beeldend kunstenaar niet kunt herkennen als die op straat voorbij zou lopen.

Daarna hebben we gekeken hoe het atelier van een beeldend kunstenaar eruit zo kunnen zien en wat heeft die kunstenaar allemaal nodig om kunst te maken?

En wat voor soort kunstenaar zouden de leerlingen willen zijn en welke dingen zouden ze dan nodig hebben in hun eigen atelier? Deze hebben ze getekend en als collage rondom een foto van henzelf geplakt. Vanwege privacy redenen kan ik deze werken niet laten zien.

En wat maakt dan die kunstenaar die elke week in de klas komt? In de les heb ik over verschillende kunstprojecten verteld, kunstwerken laten zien en foto’s van mijn atelier meegenomen.

Daarna gingen de leerlingen weer aan de slag: materiaalonderzoek! Want hoe fijn is het om te weten met welk materiaal je het fijnste kunt werken en welk materiaal geschikt is voor een bepaalde manier van tekenen? De leerlingen hebben eerst onderzoek gedaan naar houtskool en pen/inkt. Ook kwam er een kennismaking met verschillende beeldaspecten, deze keer ‘structuur’ en ‘textuur’. Door de texturen te voelen van natuurlijke materialen (schelpen, veren en stukjes hout) hebben de leerlingen de structuren geprobeerd na te tekenen. Eerst met houtskool en daarna met pen en inkt. Aan het einde van les is besproken welk materiaal ze het fijnste vonden werken.

In de volgende les was het beeldaspecten ‘kleur’ aan de beurt. Onderwerpen als primaire, secundaire en tertiaire kleuren kwamen aan bod. Evenals warme en koude kleuren en warm/koud-contrast. Kleurfamilies en licht/donker-contrast sloten het rijtje af. Met al die informatie hebben de leerlingen een lijstje ingevuld waarbij ze keken naar een eigen afbeelding. Daarna hebben ze met wasco (vetkrijt) en pastelkrijt twee keer eenzelfde soort tekening gemaakt die paste bij hun gekregen afbeelding.

De derde materiaal-uitprobeerles ging over ‘de lijn’. Na het bespreken van verschillende soorten lijnen (rechte, gebroken, gebogen en gegolfde) hebben we ook gekeken naar hoe je ze kunt tekenen (doorgetrokken, onderbroken, dun, dik en afwisselend dik en dun). Daarna volgde een lijndictee. Op een vel papier gingen de leerlingen de vier lijnen tekenen die ik dicteerde. Een doorgetrokken rechte lijn die dun getekend is, een dikke gebroken lijn, een gebogen onderbroken lijn en een gegolfde lijn die afwisselend dik en dun is.

Daarna hebben we het gehad over het creƫren van beweging, licht en donker en textuur door middel van lijnen. Door lijnen dicht bij elkaar te tekenen of juist ver van elkaar af. Dit hebben de leerlingen geoefend.

Na deze ontdekkingen hebben de leerlingen een aantal dingen gekregen waarmee ze aan het werk gingen: een onderzoeksblad, een insect in giethars en een loep. Door het insect goed te bekijken, konden ze het onderzoeksblad invullen. Ze hebben een blinde schets gemaakt (zonder naar je tekening te kijken en zonder je pen van het papier te halen), een snelle schets (1 minuut) en een detailtekening (3 minuten). Daarna kregen de leerlingen twee blaadjes: eentje met daarop de naam van een kleur en eentje met daarop een manier van voortbeweging. Door het onderzoeksblad nu helemaal in te vullen, konden ze aan de slag met het maken van een schets van een eigen fantasiedier/insect.

De laatste les hebben de leerlingen gewerkt aan een collage. Daarbij mochten ze al het materiaal dat ze in eerdere lessen hadden gemaakt gebruiken. Maar ze mochten ook nieuw knipmateriaal maken en dat gebruiken. Als de leerlingen nog tijd over hadden, gingen ze een naam voor hun fantasiedier/insect verzinnen.

Categorieƫn